In memoriam: Ton Anbeek

Op 6 april is Ton Anbeek overleden. Zijn heengaan laat een grote leegte achter in de neerlandistiek, die wordt verzacht door de dierbare herinneringen die hij heeft nagelaten bij allen die hem hebben gekend en gewaardeerd om zijn bevlogen werk en de bijzondere persoon die hij was.
MediterraNed richt met genegenheid en dankbaarheid een gedachte tot hem, en betuigt haar medeleven aan zijn naasten.

Per Ton
‘Ach zeg maar gewoon jij, niemand zegt nog u’. Dat was het eerste wat ik van Ton hoorde toen Marleen Mertens ons in Padua aan elkaar voorstelde. De beroemde Anbeek die ik van zijn strijdbare literatuurgeschiedenis kende. Glimlachend, charmant, gewoon. Dat semester zou ik zelf ook beginnen aan mijn eerste piepkleine opdracht als docent. Met Ton Anbeek… een vuurdoop. En toch voelde het alsof we beiden debutanten waren. Het was voor hem geen makkelijke periode: hij had zijn afscheidscollege in Leiden net gehouden, was fysiek en mentaal moe. En nu moest hij in Italië een hele cursus letterkunde ‘in de landstaal’ geven naast een Nederlandstalige cursus voor gevorderden. Volgens mij had hij er op dat moment allang spijt van dat hij zich had laten overhalen een jaar in Padua te werken als gastdocent. Maar hij zou Marleen en de studenten nooit in de steek laten.
In de fraaie bundel Letterkunde met lef wordt Ton Anbeek als ‘onderzoeker en criticus’ belicht. Er ontbreekt daarbij een dimensie die minstens zo essentieel voor hem was: die van docent. ‘Mijn leven lang hield ik van lesgeven, dat was mijn genot’, schreef hij me eens. Francesco, Chiara, Claudia, Enrico, Laura, Jenna, Giulia… dat was zo’n beetje onze eerste lichting Paduaanse studenten. Er ontspon zich een reeks colleges over de moderne Nederlandstalige roman, van de Grote Drie tot aan Grunberg. Adembenemend mooi. En in de Nederlandstalige cursus nam Ton met opzet de meest scabreuze passages van Kristien Hemmerechts onder de loep, om reacties bij zijn al te brave Italiaanse studenten mee uit te lokken. De studenten vielen voor hem als een blok, traden met hem in discussie, bewonderden zijn fijne lessen en chique gestreepte overhemden. Na elke les gingen Marleen, Ton en ik samen lunchen – de pret was niet te drukken. Het ritueel van de mondelinge tentamens beleefde hij met een mengeling van ironie en ernst. Wel waren we het steeds ‘roerend’ met elkaar eens over het cijfer.
Ton bleef me in de jaren daarna altijd met belangstelling volgen en steunen. Discreet, met raad en daad. In zijn laatste mail wilde hij me nogmaals zijn steun betuigen. En in 2020 kon de nieuwe Italiaanstalige literatuurgeschiedenis op de valreep pronken met een somber, origineel essay van hem over zijn oerthema: ‘die eindeloze oorlog’. Het begon met een citaat uit De ondergang van de familie Boslowits, Reves debuut: ‘Het is oorlog, zei mijn moeder, het is al op de radio geweest’. Op 6 april 2026, Paasmaandag, na een uitgebreide lunch wilde ik dat stuk ineens herlezen en pakte het boek zomaar uit de kast.
Grazie Ton
Marco Prandoni

